Meditatie | ![]() |
|
'En indien iemand van u wijsheid ontbreekt, laat hij ze van God begeren, Die een ieder mild geeft en niet verwijt; en zij zal hem gegeven worden.' Jacobus 1 vs. 5. De apostel Jacobus schrijft over het nut van verzoekingen. Ze zijn een beproeving van de christen. Dat is: ze zijn tot loutering van Gods werk in de christen. Zo wordt het onreine en ongoddelijke uitgezuiverd. Daarom schrijft hij direct na de opening van zijn brief zulke vreemde woorden: 'Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt.' Hij schrijft de reden van deze vreugde erbij: 'Wetende, dat de beproeving van uw geloof lijdzaamheid (geduld / volharding) werkt.' Dus er is rijke vrucht te verwachten op een weg vol verzoekingen. Namelijk doordat de Heere Zijn kind erdoorheen helpt en zo Zijn grote genade en trouw en kracht bewijst. Wanneer de beproeving van het geloof onder de zegen des Heeren lijdzaamheid oplevert, moeten we niet proberen de beproevingen, vervolgingen en moeiten te ontlopen. Nee, de lijdzaamheid moet een volmaakt werk hebben, of tot haar voltooiing komen, vers 4: 'Maar de lijdzaamheid hebbe (moet hebben) een volmaakt werk, opdat gij volmaakt moogt zijn en geheel oprecht, in geen ding gebrekkig.' Jacobus heeft nogal grote verwachting van dit louteringsproces: 'opdat gij volmaakt moogt zijn'. Dat ís wat! In vers 5, dat we boven deze meditatie hebben geschreven, gaat hij echter ervan uit dat zijn lezers niet volmaakt zijn. Heel de brief getuigt er verder ook van. Hij heeft het er in vers 4 wel over gehad om 'in geen ding gebrekkig te zijn', maar nu gaat hij er in vers 5 toch vanuit, dat iemand gebrekkig is. 'En indien iemand van u wijsheid ontbreekt, laat hij ze van God begeren, Die een ieder mild geeft en niet verwijt; en zij zal hem gegeven worden.' Laten we met deze woorden tot onszelf inkeren: ontbreekt het mij aan wijsheid? Heb ik het er moeilijk mee dat ik zo dikwijls dwaze dingen doe, dwaze woorden spreek en dwaze gedachten denk of begeerten koester? Smart het mij dat ik ? pronkjuweel van Gods schepping, volmaakt voortgekomen uit Zijn hand ? nu een dwaas ben? En begeer ik wijs te zijn? Niet eigen-wijs! Niet wijs in eigen oog. Maar wijs op zo'n manier dat ik met mijn dwaze gedachten en begeerten God niet zo zal beledigen! En dat ik met mijn dwaze opmerkingen mijn naaste niet zo zal kwetsen of kleineren. En dat ik met mijn dwaze daden de zaak van Christus niet zo zal hinderen en beschadigen. Of heb ik heimelijk best wel een hoge dunk van mezelf? Nee, dat zeg ik natuurlijk niet. Dat is te opvallend. Maar ondertussen... Toch tevreden met mezelf... Als een lezer door ontdekkend licht van Gods Heilige Geest meer en meer eigen onkunde en onverstand moet inleven en met Paulus in Titus 3 vers 3 moet instemmen: 'want ook wij waren eertijds onwijs ...', o dan schrijft Jacobus hier bij Wie raad is in deze radeloosheid. Hij laat immers volgen, dat zo'n missend en gebrekkig mens deze wijsheid van God mag en moet begeren. Dit 'begeren' wordt door onze statenbijbel op andere plaatsen ook weergegeven met 'bidden'. Het gaat dus om een begeerte die zich in het gebed voor de Heere uitgiet! Verstaat u dat leven? Herkent u er iets van in de praktijk van uzelf? Of is ons gebed geen begeerte? Opmerkelijk is dat Jacobus het heeft over het gebrek aan en de begeerte naar wijsheid. Wijsheid is een begeerlijk goed. Dan zullen we immers tot Gods eer weten te leven! Gods kind wenst dat wel, maar dwaalt zo gemakkelijk. Daarom begeert hij wijs te worden tot zaligheid. Wat dunkt u, wanneer iemand echt verlegen zit om wijsheid en vurig erom vraagt, zal hij dan niet alle moeite ervoor doen om deze wijsheid daadwerkelijk te ontvangen? Immers ja! Welnu, in het Woord is de wijsheid Gods. Hoe krijgen wij nu toegang? Salomo schrijft het in Spreuken 2 zo: 'Zo gij tot het verstand roept, uw stem verheft tot de verstandigheid; zo gij haar zoekt als zilver en naspeurt als verborgen schatten; dan zult gij de vreze des HEEREN verstaan en de kennis van God vinden. Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand.' Ds. W. Pieters |